Op 10 juli 2017 heeft de Kantonrechter in Den Haag een vonnis gewezen in een zaak waarbij (de ouders van) minderjarige kinderen een schadevergoeding vorderden omdat zij niet op de schoolfoto stonden. Die uitspraak, waarbij € 500,00 schadevergoeding is toegekend aan de minderjarigen, heeft veel stof doen opwaaien. De boze reacties zijn niet van de lucht. Is dat terecht?

Ik schrijf dit stuk op basis van het vonnis. Wat in de kranten staat heb ik bewust buiten dit artikel gehouden. Het is vaak gekleurd en niet gebaseerd op feitelijk onderzoek. Helaas is er een toenemende tendens onder journalisten waarneembaar waar zij het woord van een persoon geloven zonder onderzoek te doen of dit feitelijk geobjectiveerd kan worden. Dat is een kwalijke ontwikkeling.

De leerlingen stelden dat de school had gehandeld in strijd met artikel 7 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Dit lijkt in de procedure niet onderwerp van debat te zijn geweest. De school lijkt zich vooral te hebben verweerd door te zeggen dat zij hebben geprobeerd de fout goed te maken. Maar daarmee lijkt al bij voorbaat erkend dat zij in strijd met de wet hebben gehandeld. De rechter overwoog immers: “Vooropgesteld wordt dat artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb van toepassing is op de Stichting en haar rol bij de komst van de schoolfotograaf naar de school. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.” Daar kan de rechter dan niet meer aan voorbij gaan, het staat dan juridisch vast, ook als het juridisch onjuist is.

Feiten
In de kranten is veel geschreven over deze zaak. In de media is vooral de aandacht gelegd op wat de school allemaal heeft gedaan om het geschil op te lossen. In het licht van het vonnis kun je je afvragen of wat in de kranten heeft gestaan wel juist was.

Vast staat dat de schoolfotograaf kwam op de dag van het offerfeest. In de leerplichtwet staat dat leerlingen vrij mogen vragen wegens plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging. Wat men daar ook van vindt, die bepaling staat in de wet. Kennelijk heeft de school verlof verleend voor het offerfeest. Vast staat dan dat de kinderen zich aan de leerplichtwet hebben gehouden.

Omdat de fotograaf kwam op het offerfeest konden deze (Islamitische) leerlingen niet op de foto worden gezet. De school heeft gezegd dat zij de afspraak met de fotograaf heeft proberen te verzetten. De school kon dat echter niet onderbouwen. Dat is vreemd. Je zou denken dat je een verklaring kan krijgen van de fotograaf of dat er een e-mail is met een dergelijk verzoek.

De Stichting heeft de schoolfotograaf op een later moment terug laten komen om de kinderen waarvan nog geen individuele foto’s waren gemaakt, in de gelegenheid te stellen die foto’s alsnog te laten maken.
De school zegt dat er later alsnog klassenfoto’s zijn gemaakt door een amateurfotograaf. Dat kon zij echter niet bewijzen. Dat is vreemd, omdat de foto’s, volgens de school, per e-mail waren verstuurd aan de leerlingen. Zij had dan de e-mails met foto’s in het geding kunnen brengen. Dat is kennelijk niet gebeurd.

Juridisch
De school heeft erkend dat zij een verboden onderscheid heeft gemaakt. Vervolgens kon zij niet aantonen dat dit objectief te rechtvaardigen valt. Dat is juridisch ook heel lastig. Ook kon zij de door haar gestelde feiten waaruit moest blijken dat de gevolgen waren weggenomen niet bewijzen. De rechter kan dan niet anders dan tot het oordeel komen dat de school in strijd met de wet (onrechtmatig) heeft gehandeld.

Als vaststaat dat onrechtmatig is gehandeld moet worden vastgesteld of sprake is van schade. De rechter oordeelt dat de leerlingen in hun persoon zijn aangetast omdat zij ongelijk zijn behandeld (dat ongelijk behandelen is door de school niet betwist). Daarom kent zij een schadevergoeding toe van € 500,00. Dit is (naar haar aard) een subjectief oordeel. Immers valt niet te meten in geld hoe erg je in je persoon, in je waardigheid, bent aangetast. Daar kun je oneindig over discussiëren. Maar de rechter hakt een knoop door en daarmee is de kous af.

Wat ging mis?
In mijn ogen heeft de school ten onrechte erkend dat zij in strijd met artikel 7 AWGB heeft gehandeld. Artikel 7 ziet op de toegang tot onderwijs. Scholen mogen geen onderscheid maken in het aanbieden van hun onderwijs diensten. Dat blijkt omdat bijvoorbeeld in lid 2 staat dat bij de toelating tot onderwijs scholen die bijzonder onderwijs aanbieden wel leerlingen mogen weigeren op basis van geloofsovertuiging. Ik vind het een te ver gaande oprekking om ook het maken van schoolfoto’s onder dat artikel te laten vallen. Daar is de wetgeving in mijn ogen niet voor bedoeld.

Indien verweer was gevoerd op dat punt had de zaak in mijn ogen anders af kunnen lopen. Maar de kritiek op de rechtbank is in mijn ogen niet terecht.